Zondag in sneeuw
Het sneeuwt buiten. Grote vlokken sneeuw dwarrelen sadistisch langzaam naar beneden. Mijn ogen volgen ze tot ze zachtjes de grond raken en verdwijnen in de zee van wit die de straat achter ons huis is geworden. Ik open de achterdeur en stap naar buiten. Mijn schoen verdwijnt in de dikke laag, alleen de bovenkant is nog door mij te aanschouwen. Mijn andere schoen verdwijnt op identieke wijze. Als mensen naar mij zouden kijken en het concept van sneeuw niet begrepen zouden ze denken dat ik geen voeten had. Ik kijk omlaag en zie de twee gaten in de sneeuw waar mijn schoenen in staan. Raar ding die sneeuw.
Ik ploeter me een weg naar achter en ga achter de schuur staan. Ik steek mijn sigaret op, inhaleer diep en blaas de rook weer langzaam en rustig uit. Het weiland achter ons huis is verdwenen, er is alleen nog maar sneeuw. Drie schapen begraven hun hoofd er in om de koude grassprieten die eronder te vinden zijn te kunnen verorberen. Vroeger zou ik als kind daar nu gelopen hebben, met een slee in de ene en een sneeuwbal in de andere hand, speels mijn broertje achtervolgend. En terwijl ik kijk naar het prachtige plaatje dat de sneeuw voor mij geschetst heeft kan ik niet anders dan me melancholisch voelen, kan ik niet anders dan denken dat ik niet genoeg uit dit wonder der natuur haal. Ik kijk om me heen, zie de nieuwe witte wereld en kan alleen maar zeggen: het is mooi. Als kind wist ik wel beter. Als kind zou ik al uren buiten zijn. Ik zou druk in de weer zijn met groten ballen van sneeuw zo op elkaar te plaatsen dat het op een pop leek. Ik zou met mijn slee door de sneeuw ploegen en met mijn wanten het oppakken en kneden. Ik zou over de grond rollen van plezier en me wentelen in witte ijskristallen.
Als kind was sneeuw iets bijzonders, een nieuw speeldingetje, een equivalent voor plezier. En nu, nu is dat het niet meer. Sterker nog, het is vaak een hinder. De wegen zijn glad, je sokken worden nat en je lichaam is koud. De mensen ,die je als je gelijken beschouwd, zeuren dat het weer zo bar is, dat ze niet meer naar hun werk kunnen, dat de wegen onbegaanbaar zijn en dat ze toen ze vanochtend naar buiten stapten gelijk op hun smoel gingen. De sneeuw is voor hun mooi doch een hinder, ze worden er door beperkt en ze zijn niet vlug genoeg van geest om de verandering meteen te accepteren, er de voordelen van in te zien en meteen naar buiten te rennen om het te omarmen. Starheid van geest is een vloek die iedere opgroeiende zal ondergaan maar die een ieder pas opmerkt als het kwaad al is geschiet.
Ik kijk naar de sneeuw en wou dat ik er weer evenveel plezier aan kon beleven als ik vroeger had gedaan. Een paar vogels, die, door de warme november maand, niet door hadden dat ze allang weg ,richting het zuiden, hadden moeten zijn, fluiten. Misschien zijn het wel de laatste geluiden die ze ooit zouden maken, misschien zijn ze morgen al dood gevroren of verhongerd. Het is een trieste gedachte. De sneeuw en de kou heeft ook hun overvallen zoals het iedereen heeft gedaan, op de kinderen na dan.
